Is een begenadigd kunstenaar wiens werk - meestal monochroom zwart-wit - getuigt van een voorliefde voor zeer strakke ritmes. Wanneer hij in vroeger werk de zee schilderde, was het de in wezen onreproduceerbare beweging van het water die hem fascineerde. Als een moderne Da Vinci ging hij dan een eindeloze strijd aan met elk detail van het golvenspel. Het resulteerde soms in schilderijen die zo gedetailleerd de beweging weergaven, dat er een soort monolithische representatie ontstond. Was dit nu zee of versteend water?
Reeds door het gebruik van zwarte punten, toetsen en streepjes die men nauwelijks nog kan beschouwen als het resultaat van een schildersactie komt de relatie tot fotografie en drukwerk duidelijk naar voor. In de schilderijen van de laatste jaren worden het punt, de lijn, elementen eigen aan het medium tekenen steeds belangrijker ten nadele van het vlak en zijn invulling door het schilderen.
Soms laat Berlanger hyperrealistisch ‘geschilderde’ delen van een compositie dialogeren of vechten met abstracte delen. Beide benaderingen kunnen elkaar ook overlappen wanneer hij zijn schilderijen aanpakt door er rasterstructuren op te tekenen of vloeiende lijnen over te spuiten. In de laatste werken waar de grens tussen schilderij en tekening niet meer te trekken valt blijven alleen nog gestuele lijngraffitis over. De enige elementen die men nog zou kunnen beschouwen als geschilderd zijn gespoten lijnen over sjablonen van echte kettingen, schaal één op één; objecten die zich door hun typische eigenschappen als beweeglijk, smal en open, perfect lenen als alibi voor een lijnentekening. De kunstenaar als zijn eigen graffiteur. Weer een strategie van Berlanger om het statuut van het kunstwerk onderuit te halen.
De manier waarop Berlanger schildert heeft als doel de toeschouwer te laten nadenken over de natuur der dingen, maar ook over de natuur van het schilderen. Berlanger hanteert een heel eigen arsenaal aan middelen en technieken. De vaak zelf gefabriceerde ondergronden bestaan uit kunststof bekleed met vloeibare polyester. Ook de tekeningen zijn gemaakt op ondergrond die bestaat uit dezelfde elementen maar met een veel fijnere structuur waardoor de kunstenaar een synthetisch papierachtige ondergrond verkrijgt. Het lijkt wel of de kunstenaar zich in zijn experimenten toelegt op het creëren van afstand. Het schilderen moet en zal gedemythologiseerd worden.
In het kader van het Kunstenfestivaldesarts in mei 2007. was er een theatrale voorstelling van werken van Marcel Berlanger te zien in Wiels. Het ontwerp was simpel, maar effectief: een reeks in elkaar passende concentrische cirkels (de zogenaamde ‘Torus’) lijken de toeschouwers naar het middelpunt te zuigen. Berlanger plaatste 6 doorschijnende beschilderde vlakken netjes naast elkaar op een rijtje. Een landschap, een uil en een close-up van een bloem worden van elkaar gescheiden door een tekening van concentrische cirkels. Vreemde eend in de bijt is een portret van een vrouw op een geperforeerde drager. Dit lieflijke en supergeësthetiseerde beeld werd door de kunstenaar meteen onderuitgehaald door de gaten die hij uit dit doek sneed. Een ingreep die ook zijn effect niet miste op de andere delen van de installatie.
Een ingewikkelde stelling met tl-buizen en gedimde spots werd frontaal op de doorzichtige, beschilderde zeilen gericht. Afhankelijk van welk licht domineerde, kreeg de reeks een heel andere betekenis. Het koude licht van de buislampen zorgde voor een harde reflectie van de beelden, die haarscherp op ons netvlies gebrand werden. De zachte spots brachten de afzonderlijke delen dan weer meer tot leven en gaven dankzij hun warme gloed de opstelling een ritualistisch karakter. Aan de achterkant van de doeken waren er zitplaatsen in theateropstelling voorzien waar de toeschouwer de werken vanuit een andere invalshoek kon bekijken. In eerste instantie gaf deze ‘blik achter de schermen’ je het idee dat je de beelden fout zag, dat ze verkeerd om gedraaid waren. Maar hoe langer je bleef zitten, hoe vertrouwder de afbeeldingen werden en hoe meer je het idee kreeg dat deze zijde niet persé de achterkant van de doeken was, maar gewoon een ‘andere’ kant, een beetje zoals een verhaal met twee interpretaties.
Voor de realisatie van dit project had de kunstenaar zich geen betere plaats kunnen voorstellen dan de onafgewerkte ruimtes van Wiels: het ruwe en harde karakter van de betonnen arcaden binnen in de ruimtes gaven dit hedendaagse ritueel precies de spannende omkadering.
Hij schildert in olieverf op doek. Zijn reeks met de basten van platanen als onderwerp toont ons de essentie van het schilderen. Het onderwerp is een alibi om het feest van het schilderen op een losbandige wijze te vieren. Vanuit de figuratie komt Kowalkowski tot een abstractie die beantwoord aan zijn ingesteldheid en aan de universele kwaliteitseisen die men eist van grote schilderkunst.
Een detail van een plataan tegen een vaag aanwezige achtergrond van het stadsbeeld wordt in zijn groei geschilderd. De schors brokkelt af en laat nieuw leven ontluiken. Het patroon is één en al camouflagetextuur. Dit recentelijk veelvuldig gebruikte patroon in de modeindustrie, dat rechtstreeks uit het beeldarsenaal van de oorlogsvoering is geplukt, is zelfs in de abstracte schilderkunst een element van herkenning is geworden. Camouflagedesign staat symbool voor de alledaagsheid van de oorlog, de flirt met het avontuur in een oppervlakkige samenleving. In de schilderijen van Kowalkowski krijgt camouflage een totaal andere waarde. Het geeft hem de mogelijkheid om zich uit te leven in al de technieken die de schilder ter beschikking staan. De geduldig over elkaar geplaatste lagen die periodiek in dagenlange sessies op verschillende werken tegelijkertijd worden aangebracht laten de kenner/kijker genieten van het sublieme dat kan bereikt worden met minimale middelen. Bij Kowalkowski staat camouflage voor verdieping en experiment. De schilferende hud van de plataan als alibi voor het tentoon spreiden van oneindige picturale mogelijkheden.
De schilder gebruikt eigen gemaakte foto’s als model voor zijn schilderijen. De representatie van de werkelijkheid heeft diverse stadia doorlopen, het uiteindelijke beeld is gemanipuleerd naar eigen inzicht en smaak. In de schilderijen nemen de details van de boomstammen het centrum van het beeldvlak in beslag. Het is een bijna allover-compositie met alleen in de marges aan weerszijden een referentie naar de realiteit, naar de stad, de cultuur, de beschaving. De kunstenaar is niet op zoek naar een idyllisch beeld van de natuur. Hij gebruikt beelden die hem vanuit zijn stedelijke omgeving opvallen. De plataan is een boom die volop in de stad aanwezig is, het is één van de weinige soorten die onze asfaltobsessie kunnen trotseren.