In de reeks dialoogtentoonstellingen bij galerie IN SITU dit seizoen is het nu de beurt aan twee kunstenaars die elkaar reeds lang kennen, elkaar appreciëren en die al menige keer samen hebben geëxposeerd (o.a. recent in het museum van Bommel-van Dam in Venlo). Zij waren ook voorheen te gast in de galerie zij het solo of in combinatie met andere kunstenaars. Loek Grootjans krijgt deze keer het volle vertrouwen van zijn vriend Ellenrieder om de tentoonstelling zonder zijn aanwezigheid in te richten. Dat is niet evident aangezien beide kunstenaars een tentoonstelling niet zien als het gewoon naast elkaar presenteren van een serie kunstwerken, maar de ruimtelijke omgeving, de dialoog enz benaderen als een totaalbeeld dat meer is dan de som der delen.
De fysieke ruimte en de context zijn belangrijke elementen in hun artistieke praktijk. Ze begonnen beiden als schilder en zijn in zekere mate nog als zodanig te beschouwen alhoewel zij zich nu bedienen van een gans assortiment aan werkmaterialen en ‘media’. Vanuit de ingesteldheid van de schilder onderzoeken ze de relatie tussen stedelijke en landschappelijke strategieën. De titel van de tentoonstelling verwijst niet alleen naar hun werkterrein en naar hun methode (spotting), maar ook naar hun ‘medium’. De urbane publieke ruimte is niet alleen hun inspiratie en hun biotoop maar ook en vooral hun ‘medium’ waarin ze zich uitdrukken.
componeert beelden en voorstellingen van onderwerpen en gegevens die ons langs de kanalen van de populaire media hebben bereikt. Zijn schilderijen, foto’s en drukken zijn opgebouwd met afbeeldingen die opgeslagen zitten in ons collectief geheugen. Hij toont ons fragmenten van de bedrieglijke paradijselijke idylle, van de opgesmukte voorstad, van een knus bourgeois-scenario. Alle elementen zijn in zekere zin fake, ze komen uit catalogi voor modelbouwers, uit publiciteitsfolders en uit archieven van fotoagentschappen. Ontdaan van elke betekenis worden het beelden die goed zijn voor alle gebruik. Ze kunnen allemaal dienen ter illustratie van artikelen in de pers en in brochures allerhande tot in de oneindigheid. Ze krijgen pas betekenis wanneer er tekst aan toegevoegd wordt.
De strakke architecturale structuren roepen herkenning op, maar worden gecounterd door het overwoekerende kleurenspel van niet meteen thuis te brengen vormen en texturen. Het geheel vormt een dynamisch interactief spel tussen tastbare en niet-tastbare ruimtelijkheid, tussen onze vertrouwde wereld en een grenzeloze cyberspace.
Ellenrieder is een meester in het monteren van beelden en impressies uit verschillende, soms zelfs elkaar bekampende domeinen. Elementen die genomen zijn vanuit verschillende oogpunten, platte en perspectivische beelden, worden door de kunstenaar geregisseerd tot er een spannend, voldragen beeld ontstaat. Ellenrieder speelt met de kijker, hij bevraagt onze perceptie, hoe we alledaagse voorwerpen en beelden registreren. Hij wekt irritatie op. Men voelt als kijker dat men niet kan vertrouwen op het eerste zicht, zelfs na aandachtige observatie blijft er onzekerheid, blijft er vaagheid. Je begint het vertrouwde beeld van elke dag te wantrouwen. Zijn beelden zijn een valstrik voor het oog maar ook een vervulling van het oog.
Zijn interesse gaat uit naar de verhouding tussen beeld en werkelijkheid, en zijn positie als kunstenaar.. Hoe komt ons beeld van de werkelijkheid tot stand? De huidige tijd wordt wel omschreven als een beeldcultuur, een tijd waarin foto’s in kranten en magazines, telvisie en computerbeelden ons begrip van de werkelijkheid bepalen. Is ons beeld wel reëel? In hoeverre wordt het nog bepaald door eigen waarneming? Is elk beeld een nabeeld van ontelbare beelden van anderen uit heden en verleden? En wat is de betekenis van een schilderij binnen een cultuur van reproduceerbare beelden?
Het werk van Wolfgang Ellenrieder omvat schilderkunst, fotografie, video en computeranimatie. Daarin toont hij beelden van organische, vegetarische en architectonische vormen.
In een poging de verhouding tussen beeld en werkelijkheid te begrijpen fotografeert Wolfgang Ellenrieder zijn eigen schilderijen. Die foto’s bewerkt hij via de computer tot nieuwe beelden die hij vervolgens weer naschildert. Daarbij rijzen vragen over de identiteit van het uiteindelijke beeld en zijn werkelijkheidsgehalte.
“Spotting the Urban Strategy” is ook een titel van ‘Office’ van de “Foundation for the benefit and understanding of context (formerly known as the institute for immediate knowledge, real perception and logic features according to the most contemporary monochrome paintings)”. Dit Office krijgt een belangrijke plaats in deze tentoonstelling en fungeert ook als rode draad doorheen zijn nieuwe boek dat van de persen rolt voor het einde van de tentoonstelling. Onder dit Office ressorteren alle foto’s die bij wijze van spreken zonder enige aandacht voor compositie zijn gemaakt van de plaatsen waar Grootjans ooit was om één van de ‘departementen’ van zijn Foundation te installeren. Deze foto’s zijn over het algemeen gemaakt in stedelijke gebieden of omgevingen waar men de inrichting van het landschap wou heroverwegen ten gunste van nieuwe economische inzichten of expansie.
De vorige tentoonstelling in de galerie met als titel “Revisited” ging over het landschap als idylle, ook als loutering wellicht. Foto’s van het landschap waar de (nu) gewezen schilder ooit was hingen aan de groen geschilderde wanden. Het waren groenkleurige beelden, gebaseerd op snapshots van landschappen die hij zag tijdens zijn reizen als nomadisch kunstenaar of als toerist. Ze zijn genomen op momenten dat hij daar zijn schilderkunst overdacht. Momenten van het verlangen van de gewezen schilder. Herinneringen aan een verlangen. Het zijn foto’s zonder mensen, zonder hun ingrijpen, groenig zonder duiding, abstract.
De foto’s in het Office ‘Spotting the Urban Strategy’ zijn als het ware het tegenovergestelde van de foto’s uit de Revisited reeks. De context beweegt zich tussen twee uitersten, het landschappelijke en het urbane. Enerzijds wordt het landschap gedacht vanuit de romantiek (Casper David Friedrich) als zaligmakend. Een omgeving die we beschouwen als een entiteit waarvan we deel uitmaken, althans verlangen deel te zijn met die wereld. Het is de natuur en de natuur is God. Hij heeft het beste met ons voor en laat ons één zijn met de natuur, met het landschap. Hij zorgt er ook voor dat we niet voortdurend worden bedrogen. Maar niemand heeft het goed met ons voor. De idylle blijkt een farce. Zelfs de top van de hoogste berg van de wereld ligt vol met rotzooi van haar beklimmers. Ook op de oceanen is geen mijl meer zonder afval. Alles is bereikbaar en van ons en dat laten we weten. Dit is het tegengestelde van de onbevlekte natuur. Geen plek laten we onaangeroerd. We centreren ons handelen. De wereld wordt een stad.
Het urbane is echt.
Wat vooraf ging
In 1988 creëerde Loek Grootjans (Arnemuiden, 1955) zijn eigen nulpunt door zich een maand lang op sluiten in een volledig verduisterde ruimte. Daarna schilderde hij jarenlang monochrome doeken in roodbruin of groen, zich baserend op de roodbruine gloed die tijdens het blinde isolement op zijn netvlies verscheen en de groene waas die hij zag bij zijn terugkeer in het licht. Daarvoor gebruikte hij zelfgemaakte verf, bestaande uit verfresten en muurschraapsels uit zijn eigen atelier. Met het gebruik van de laatste resten en schraapsels was de schilder door zijn ‘particuliere verf’ heen en werd hij daardoor gedwongen met schilderen te stoppen. Dit gegeven stond centraal in het project Final Remains (2003/2004, Museum van Bommel van Dam).
Sindsdien vervaardigt Grootjans installaties en fotowerken waarin de spanning tussen oppervlakte en diepte – misschien wel de essentie van de monochrome schilderkunst – als bovenzinnelijk en metafysisch probleem wordt onderzocht. Een probleem dat zich presenteert in de tegenstelling van lichaam en geest, van vraag en antwoord, van alles en niets.
Om het ingewikkelde vraagstuk van zowel het kunstenaarschap als de receptie van kunst te begrijpen en te becommentariëren, heeft Grootjans in 1996 zijn ‘Foundation for the benefit of the spiration and the understanding of context (Formerly known as the Institute for immediate knowledge, real perception and logic features according to the most contemporary monochrome paintings)’ opgericht. Deze stichting bestaat uit tientallen ‘departementen’, elk gericht op een bepaald onderzoek.
Vanaf het moment dat hij als schilder door zijn ‘particuliere verf’ heen is, onderzoekt Grootjans de betekenis van het verlangen. Want als iets niet meer is, wordt er naar verlangd. In het departement ‘Revisited’ (Aalst 2005) wordt gehoor gegeven aan dit verlangen en wordt teruggekeerd naar het landschap waar de schilder ooit was. ‘Reintegrating the Input’ is het departement van de nieuwe impuls waarin de gewezen schilder door geleerden uit de hele wereld wordt aangespoord tot een nieuw begin, dan wel bekritiseerd over zijn stoppen met schilderen (museum Venlo).
De publieke ruimte wordt steeds herdacht en verandert voortdurend volgens nieuwe maatschappelijke inzichten. De kunst vindt in de samenleving cruciale problemen die door de kunstenaar worden gebruikt. Door middel van reflectie kan de kunstenaar de publieke ruimte nieuwe betekenissen meegeven.
Er is enerzijds een steeds groter wordende belangstelling vanuit het maatschappelijk beleid om kunstenaars te betrekken bij de openbare ruimte (opdrachten) en anderzijds krijgt de kunstenaar meer belangstelling voor de publieke ruimte vanuit zijn groeiende interesse voor de steeds veranderende en globaliserende samenleving en omgeving. De kunstenaar verlegt zijn studio naar een insitu werkplek die zich in de openbare publieke ruimte kan bevinden of binnen het museum en de voor kunst voorbehouden zones. Daardoor ontstaat het fenomeen van de nomadenkunstenaar die niet alleen de publieke ruimte als nieuwe werkplek voor zich opeist maar die ruimte ook als een mogelijk medium gebruikt. Daardoor komen ook nieuwe bemiddelingsmodellen tussen kunst, plaats en publiek centraal te staan. Twee elementen zijn daarbij belangrijk: de ‘site’ of omgeving van de kunstactiviteit (concipiëren en tonen) en de omgeving als ‘het medium’.
Over de band van het kunstwerk met een plaats wordt niet meer gedacht in termen van ruimtelijke, fysieke of institutionele conditie. De plaats wordt een platform van kennis, intellectuele uitwisseling en cultureel debat. Kunstenaars focussen zich in hun artistiek onderzoek op sociale, historische, politieke en zelfs persoonlijke thema’s. Thema’s fungeren als plaatsen van artistiek onderzoek.
De rol van de kunstenaar verandert van producent van esthetische objecten naar die van een cultureel-artistieke dienstverlener binnen sociale, economische en cultuurpolitieke condities. Hoewel dit resulteert in een plaatsgebonden kunst, komt deze los te staan van haar concrete plaats. De plaats van interventie en de discursieve plaats vallen uit elkaar. Het resultaat is een veelvoudige plek, een ambulant veld waarin het engagement in de eerste plaats nomadisch is. Eigenlijk gaat het niet meer om sitespecifieke kunst, maar om kunst die kan gedijen in eender welke context, in die zin dat de kunstenaar vaak dezelfde artistieke strategie op diverse plaatsen gaat toepassen.
Openbare Ruimte & Persoonlijk Publiek Domein
Sinds eind jaren tachtig staat de openbare ruimte sterk in de belangstelling. De algemene herwaardering van de betekenis ervan heeft wereldwijd gezorgd voor tal van herinrichtingsprojecten. Vooral een terugdringen van de rommeligheid, een nadruk op esthetiek en een voorkeur voor design zijn kenmerkend voor de stedelijke revitaliseringsprojecten. Toch stelt zich telkens opnieuw de vraag: hoe “maakbaar” is de ruimte eigenlijk? Feit is dat alles valt of staat met een adequaat begrip van de hedendaagse openbaarheid. En dat blijkt allerminst evident te zijn.
Er wordt vandaag vaak over de openbare ruimte gesproken in termen van ondergang en teloorgang. We vieren de esthetiek van het heringerichte plein, terwijl er geen oog is voor andere aspecten van hetzelfde stedelijk veld. Nieuwe ideeën voor herinrichting komen vaak voort uit een opvatting dat een esthetische beheersing van de ruimte niet alleen een einde maakt aan rommel, maar ook aan angst en geweld. Die beheersing gaat dikwijls hand in hand met privatisering, die in het slechtste geval de openbaarheid gewoon helemaal verstikt.
Wie op zoek gaat naar het publiek domein wordt nog steeds verwezen naar de stad. De pleinen, parken, boulevards en straten van de binnensteden staan model voor de stedelijke openbaarheid. Buiten de oude stad bevindt zich de periferie of “urban sprawl”: een banale verzameling van woonwijkjes, industriegebieden, “office parks,” “shopping malls” enz. De periferie roept door haar vormeloosheid heftige reacties op. Ze wordt gezien als het tegendeel van de beschaving, die als vanzelf met steden wordt verbonden. Maar het publieke domein is niet langer het domein van burgerlijke openbaarheid zoals de traditionele stad dat was, maar het terrein van een middenklassecultuur, gekenmerkt door een toegenomen mobiliteit, massaconsumptie en massarecreatie.
Onze culturele geografie is dan ook volop in ontwikkeling. Nieuwe bewegingsmogelijkheden, zowel in de reële als in de virtuele ruimte rondom ons, betekenen het einde van de openbare ruimte as we know it. Vandaag stellen we allemaal ons eigen persoonlijk publiek domein samen, met onze eigen centra, onze eigen zwaartepunten, onze eigen invalshoeken. We zijn niet alleen in deze non-place urban realm, maar we bestaan er op onze eigen persoonlijke manier, met onze specifieke verwachtingen en verlangens.