De kunst van Fabian Luyten beweegt zich steevast op de snijlijnen van schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur, maar maakt ook verbindingen met wetenschappelijke domeinen zoals de geometrie en de linguïstiek. Meest bekend van hem zijn de sculpturale installaties. Afhankelijk van de grootte en de verhouding tot de omgevende ruimte kunnen we ze benoemen als ‘modellen’, ‘modules’ of ‘paviljoenen’. In al zijn beelden en ook in zijn schilderijen speelt ruimte een vooraanstaande rol.
De ‘models’ en ‘modules’ van Fabian Luyten fungeren niet als maquette voor een uit te voeren gebouw of als een verkleinde weergave van een bestaande omgeving, zij houden geen belofte van bewoning in en drukken geen herinnering uit, het zijn veeleer activerende speelruimten. Verschillen in schaalverhouding in de onderdelen van het beeld ten opzichte van de omgevende ruimte en in wisselwerking met de aanwezigheid van de toeschouwer, verhogen de complexiteit van het werk zonder het daarom ontoegankelijk te maken. De beeldinstallaties zijn fundamenteel ‘multiperspectivisch’ doordat de kunstenaar verschillende gezichtspunten gebruikt en doordat de kijker onvermijdelijk zijn eigen invalshoek en perspectief aan het beeld toevoegt. In de constructies blijven structuur, opbouw en proces zichtbaar. Op die manier kunnen we het plezier van het maken meebeleven en kunnen we de evolutie volgen naar het punt waarop vorm en constructie elkaar ontmoeten.
‘U.F.O.’ is een geabstraheerd schilderij waarbij enkel een verticale lijn en een ovaal overgebleven is. Het schilderij verkrijgt door de verregaande stilering de status van een icoon. Het gebruik van felle kleuren en de plaatsing van de figuur in het doek, transformeert de afbeelding in een icoon. Luyten groeide op in de jaren tachtig en ontwikkelde een fascinatie voor fenomenen zoals de rubiks kubus, space invaders, tetris, vier op een rij, star wars of battlestar galactica. Luyten blijft nu nog gefascineerd door de prille, strakke beeldtaal van de spelletjes van toen. De geblokte pixels lijken, zoals in de film ‘Tron’, toegang te geven tot de wereld in de computer. De nog zeer geometrisch opgebouwde beelden prikkelen Luytens gevoel van verwondering. Hij blijft zich afvragen hoe dingen in elkaar steken. In zijn spel met lijn, vlak en ruimtelijkheid, zet Luyten zijn fantasielandschap verder in de ruimte en betrekt het publiek bij dit spel.
Deze overgebleven vorm op het schilderij is ontleend aan industriële architectuur. Hier in dit geval: een hijskraan.
Doorheen een intens werkprocédé, ontleedde en ontrafelde Luyten de vormen van deze hijskraan, en dit heeft geleid tot een eigenzinnig, geabstraheerd beeld. In dit schilderij heeft de kunstenaar de dagdagelijkse context van de hijskraan volledig losgelaten en verder gewerkt op de ontstane geometrische vlakken. De vorm die we nu te zien krijgen op dit schilderij heeft een ambigu karakter. Door de weggeschilderde context van de hijskraan kunnen we niet onmiddellijk een connotatie vinden met een herkenbare vorm. We zijn genoodzaakt het schilderij eerder gevoelsmatig benaderen.
De gestaltpsychologie vertelt ons dat we de onweerstaanbare drang hebben om vormen aan te vullen tot iets herkenbaars, dat we de wereld in gehelen en patronen willen waarnemen en begrijpen. Deze vorm is gemuteerd tot iets anders dan zichzelf. Dit verwart onze perceptie en betekenisgeving van het beeld, maar juist dit spel houdt ons als toeschouwer geboeid.
Deze overgebleven vorm op het schilderij is ontleend aan industriële architectuur. Hier in dit geval: een hijskraan.
Doorheen een intens werkprocédé, ontleedde en ontrafelde Luyten de vormen van deze hijskraan, en dit heeft geleid tot een eigenzinnig, geabstraheerd beeld. In dit schilderij heeft de kunstenaar de dagdagelijkse context van de hijskraan volledig losgelaten en verder gewerkt op de ontstane geometrische vlakken. De vorm die we nu te zien krijgen op dit schilderij heeft een ambigu karakter. Door de weggeschilderde context van de hijskraan kunnen we niet onmiddellijk een connotatie vinden met een herkenbare vorm. We zijn genoodzaakt het schilderij eerder gevoelsmatig benaderen.
De gestaltpsychologie vertelt ons dat we de onweerstaanbare drang hebben om vormen aan te vullen tot iets herkenbaars, dat we de wereld in gehelen en patronen willen waarnemen en begrijpen. Deze vorm is gemuteerd tot iets anders dan zichzelf. Dit verwart onze perceptie en betekenisgeving van het beeld, maar juist dit spel houdt ons als toeschouwer geboeid.
Hier heeft Luyten een planmatig bovenaanzicht van zijn ontwerp van een paviljoen gebruikt als tekenkundig element voor het schilderij. De strakke geometrische vorm komend vanuit een technische achtergrond heeft hij hier gecombineerd met de typische eigenschappen van het schilderen. Het resultaat is een zinderende tekening. Zoals neonlicht. De randen van de lijnen vibreren op ons netvlies. Het heeft nu eerder iets weg van een cosmologisch teken. De voorstelling van een sterrenteken waarbij imaginair sterren worden verbonden door lijnen, heeft de kunstenaar geïnspireerd om het bovenaanzicht van zijn eigen ontwerp op een gelijkaardige manier te presenteren. Maar in dit geval was dit een bouwkundig plan.
In dit werk is Luyten vertrokken van de typische architectuur van hoogspanningsmasten die langs de autosnelwegen terug te vinden zijn. Ze hebben bepaalde verhoudingen die in het landschap bepalend hun vorm aftekenen. Het zijn lege volumes bestaande uit lijnen. Luyten koos ervoor om de typische verhoudingen te transponeren en deze masten te vertalen door middel van vlakken en niet door lijnen. Hun verhouding is dezelfde gebleven. Hun verschijning helemaal anders. Omdat het schilderij uit drie afzonderlijke panelen bestaat en beschilderd is op een strakke, ‘machinale’ wijze, krijgt dit werk een sterke objectwaarde. We krijgen alleen het totaalbeeld te zien wanneer deze drie panelen tegen een muur geaccrocheerd worden in een ruimte. Nu het beeld is samengesteld valt ze de ruimte aan. Het verstoord de sacrale architectuur van het museum, de galerie. Het werk is met haar uitgesproken driehoeken agressief van aard. Het werkt iconografisch.
Luyten heeft in zijn kinderjaren een fascinatie ontwikkeld voor het bouwkundig plan. Hij verwondert zich telkens voor het feit dat vanuit deze tweedimensionele vormenwereld een driedimensionele wereld wordt opgebouwd. Door middel van boven-en vooraanzichten, snedes, inplantingen en details, tekent de architect of de ingenieur zijn project. Dit is een planmatige beeldtaal die als wetenschap fungeert. De technische tekening wordt door de kunstenaar dan ook als een wereldtaal beschouwd.
In dit werk was het Luyten meer te doen om het gegeven zijaanzicht en bovenaanzicht met elkaar te verweven. Hij onderzocht vanaf welk moment we een vorm in zijaanzicht ervaren en wanneer het overgaat in een bovenaanzicht? Welke zijn hiervoor typische parameters? Zijn uitkomst was, dat we dit alleen kunnen zien aan de hand van een bepaalde context of criterium: de horizonlijn. Deze lijn laat de beschouwer toe een zicht te krijgen op de plaatsing van het ding op de grond. We krijgen dan notie van hoogte, breedte en diepte. Dit is in dit schilderij volledig weggelaten. We zien een zuivere presentatie van een vorm binnen het beeldvlak. De vorm presenteert zich losgerukt uit een landschappelijke context en presenteert zich ‘an sich’. Het vertoont nu iets waarachtigs. Het schilderij is hier alleen gebruikt om een vorm te tonen. (Used to present)
Het grondplan van Paviljoen I is een gelijkbenige driehoek. Deze basis wordt als een reusachtige tekendriehoek 20 cm boven het maaiveld opgehangen in 3 verticale steunen van 2.50 m hoogte. Het geheel vormt een open driehoeksconstructie, met als dak de verbinding van de 3 balken.
In deze constructie is als verticale wand een monochroom vlak gemonteerd. Dit vlak is hoogglanzend zwart met als gevolg dat elk gebeuren, zowel in als buiten het paviljoen in haar oppervlak gereflecteerd wordt.
De reflectie van de constructie zelf, visualiseert zich als een ontvouwing, waardoor er een wisselwerking ontstaat tussen enerzijds de reflectie als volume en anderzijds het monochroom als reflecterende holte. De identificatie van de reflecties ondervraagt zowel de schaal van het ganse paviljoen, als de maat van de constructie en onze fysieke aanwezigheid als toeschouwer.
Als louter sculptuur is de constructie eigenlijk te groot, en te klein als een werkelijk paviljoen. Wanneer de toeschouwer ernaast staat, ervaart hij haar als een sculptuur, maar hij kan er zich ook in/op begeven, zoals bij een echt paviljoen.
Wanneer hij nu, in/op het paviljoen, zich begeeft naar de scherpe hoek, wordt de reflectie in het monochroom scherper en scherper. In die hoek is een smalle doorgang voorzien naar de achterzijde van het monochroom. Vanaf nu kan “voorkant of achterkant, buitenkant of binnenkant” ruimtelijk ervaren worden.