"Hier"

19/01 – 02/03/2008

[home]
[english]

Frank Halmans

Verborgen openbaarheid

Frank Halmans - Hier

…………. Huiselijke voorwerpen, verwijzingen naar natuur, ingekaderde ruimtes: Frank Halmans is er al jaren mee bezig. In het atelier staat een lage, eenvoudige kast van MDF waarin allerlei natuurboeken staan. Zoveel dat het de boekenkast van een bioloog zou kunnen zijn. Althans dat denk je, totdat je ziet dat de 'boekensteunen' bestaan uit spuitbussen met pesticiden en andere gifstoffen. Even verderop staat een maquette, opgebouwd uit een verzameling haaks op elkaar gestapelde 'poppenhuisdeuren', waar zich een klimplant langs naar boven werkt. Halmans werkt vaak met elementen uit de natuur. Voor het Van Limburg Stirumplein in Amsterdam ontwierp Halmans een rond wachthuisje waar de tram met een boog langs rijdt. Met zijn sobere, elegante, open vorm en afgewerkte keramiektegels doet het denken aan architectuur uit de jaren vijftig. In de vensterbanken staan bronzen replicas van kamerplanten. Het wachthuisje op het Van Limburg Stirumplein dateert van 1997. In de daarop volgende jaren is Halmans zowel vrij werk als werk in opdracht blijven maken. Een strikte scheiding daartussen hanteert hij niet: 'Al het werk dat ik maak beschouw ik als een opdracht, of het nu voor de openbare ruimte is of voor een galerie. In een galerie waar kunst in een beschermde context en met voorkennis bekeken wordt, kan de polemiek tussen kijker en kunstwerk gelaagder en spitsvondiger gevoerd worden dan in de openbare ruimte. De botte kant van die ruimte vind ik echter heel aantrekkelijk. Ik probeer een symbiose te bewerkstelligen tussen verschillende niveaus, met als uitersten het "volkse" en het "museale". ……………….

Fragmenten uit tekst van Ingrid Commandeur, 2006

De dingen en de mensen

Frank Halmans - Hier

Halmans speelt een complex spel met dingen als ideeën en ideeën als dingen. Hij maakt gebruik van voorwerpen die in het dagelijks leven voorkomen, voor een deel maakt hij die zelf en voor een deel zijn het readymades die in de winkel te koop zijn of thuis in de kast kunnen liggen.

Het is geen wereld van mensen maar van dingen, van dingen die sterk lijken op dingen van mensen, er visueel zelfs synoniem mee zijn - het zijn dingen die mensen gebruiken maar ze functioneren in een andere, zelfstandige context, waar ze een bezigheid nabootsen die ze misschien van mensen hebben afgekeken, namelijk: wonen. ……….

Er zit iets vertederends en tragisch in de pathetische poging van de voorwerpen om zich als mensen te gedragen, om te ontsnappen aan de zwaartekracht van het ding zijn.

……….De beschouwer kan op zeker moment het gevoel bekruipen dat hij kijkt naar iets wat hem, als mens, toch ook bekend voorkomt, ook al komt hij er zelf niet letterlijk in voor: we kijken tenslotte naar aspiraties die onhaalbaar zijn, naar vingers wijzend naar de maan, naar de mimicry van een burgerlijk interieur waar niets gebeurt of gebeuren kan. We kijken ernaar door een raam, van buiten naar binnen; maar zelf zijn we ook binnen, we bevinden ons in dezelfde binnenruimte als het raam, we kunnen er bovendien omheen lopen, het is een schouwtoneel en eigenlijk helemaal geen raam. Zo is het ook een spiegel en zien we in de dingen onszelf, als soort: de mens die zich een zo veilig mogelijke wereld schept waar niets gebeurt, die claustrofobisch en misplaatst is in de context van het buitenmenselijke; ik denk dat we hier uiteindelijk geconfronteerd worden met onze eigen onmacht om van de wereld meer te maken, ons minimale territorium, ons nutteloze streven, het menselijk tekort.

Insula Dei', 'Eiland van God', is de hoogdravende titel van een werk dat inderdaad een soort eiland is in die zin dat het bestaat uit een aantal voorwerpen die zich met elkaar op een betrekkelijk klein Perzisch tapijt bevinden. Daar hebben we die 'dingen' weer, dit keer voornamelijk uit een betekenisgebied: negen ouderwetse schemerlampen met stoffen kappen en verder een eenvoudig houten bankje met daarop een kussen en een glas water. Het kleed is niet groot, dus alles staat dicht op elkaar; als bomen in een bos. Iets dergelijks is ook de associatie: een bos, een tuin meer eigenlijk, met een ruwhouten bankje waar iemand op kan zitten met een kussen voor comfort en een glaasje water voor de dorst - luxe is het niet, het eiland van god is een sobere aangelegenheid. Hoewel de lampen allemaal verschillend gevormde kappen hebben, zijn ze voorzien van dezelfde decoratie met groene, florale motieven, wat de associatie met gebladerte opdringt. De motieven op het tapijt zijn traditioneel ook floraal van aard en het kussen is van vergelijkbare ornamentpatronen voorzien als de lampen.

Vanzelfsprekend biedt het werk op het eerste gezicht een huisbakken, oubollige aanblik maar we zijn nu gewaarschuwd: in dit werk is niets wat het aan de oppervlakte lijkt. Je zou kunnen zeggen dat ook hier sprake is van een soort opwaardering, een heroisering zelfs, van eenvoudige gebruiksvoorwerpen met een tamelijk burgerlijke uitstraling, terwijl juist die eigenschappen van die voorwerpen de situatie waar het hier om gaat binnen ieders bereik brengt en opnieuw de indruk geeft dat het 'eiland van god' eigenlijk ook op ons allemaal betrekking heeft. Zo zijn er drie niveaus: het tapijt als drager van spullen die allemaal, inclusief het tapijt zelf, zo uit de uitdragerij zouden kunnen zijn weggehaald, de opgelegde associatie met de natuur van bos, eiland, gebladerte en als derde laag iets dat hooggestemder lijkt, op iedereen betrekking heeft en toch aansluit bij de specifieke voorwerpen in kwestie.

In dit geval is dat derde niveau met veel raffinement geformuleerd: de motieven van het Perzische tapijt verwijzen traditiegetrouw niet naar zomaar een plek met bloemmotieven, niet naar zomaar een tuin maar naar de eerste tuin: de paradijstuin. De lampen passen naadloos in dat concept: wat voor vorm ze ook hebben, ze kunnen branden en de tuin verlichten en ook de bezoeker of misschien bewoner van de tuin. En dan krijgt 'verlichten' een dubbele betekenis. Net zoals de lampenkappen qua vorm een soort burgerkitsch zijn en dus 'eenvoudige' voorwerpen, is het branden van de lampen ook eigen aan ieder interieur. En net zoals door de context van de paradijstuin de lampenkap wordt verheven naar het niveau van spiritueel zetstuk op het eiland van god, wordt het branden van de lampen tot metafoor gemaakt voor de spirituele verlichting, die staat van tegelijkertijd opperste wijsheid en onschuld die volgens het verhaal in de paradijstuin heerste voor de zondeval. Maar wie wordt er verlicht? Ik zou zeggen: degene die, na een lange reis, op het eiland aanspoelt (vermoedelijk de enige legitieme manier om er te arriveren) en zich te rusten zet op de bank met het kussen en een slok water goed gebruiken kan. Meer dan een spiegel, zoals in het geval van de 'bewoonde vensterbank', lijkt dit werk mij een uitnodiging; een wegwijzer voor een reis naar het eiland van god, Paradise Regained, waaraan we deel kunnen hebben als we net zo weinig kapsones hebben als een sukkelige schemerlamp in een onaanzienlijk interieur. In die zin zijn de dagelijkse dingen hier misschien geen spiegel, maar wel een wegwijzer. In het paradijs, bij god, zijn dualiteiten opgeheven en bestaat geen 'goede smaak': iedere lamp die kan branden is gelijkwaardig aan alle andere. Met dit werk voegt Frank Halmans zich dan in een oude Nederlandse kunsthistorische traditie, van didactiek en moraliteit.

Fragmenten uit tekst van Philip Peters gepubliceerd in Kunstbeeld 7/8, 2005