“Wanneer wordt een vlak ruimte? Kan een vlak ruimte worden en toch vlak blijven? Hoe zit het met de relatie tussen de tweede en de derde dimensie? Mijn werk ontstaat altijd vanuit de fascinatie voor de ruimtelijkheid van het vlak. Een geschilderde kleur kan een oppervlak een extra dimensie verschaffen – maar als die zinderende materialiteit zich nu eens voortzette in de architecturale of openbare ruimte? Welke ervaring genereert zo’n ingreep op een bezoeker of een passant? Want zelfs als er geen fysieke confrontatie is, wil mijn werk de menselijke schaalverhouding aanwezig stellen. Ook de mentale. Een vlak wordt ruimte wanneer het zich letterlijk open plooit en een voor-achter definieert, of een binnen-buiten. Een vlak wordt ruimte wanneer het zich figuurlijk open plooit en in de wisselwerking met de context een overstijgende perceptie uitlokt. ‘Paviljoen I’, een constructie die te klein is om een volwaardig paviljoen en te groot om een meubel te zijn, nodigt mensen uit tot verkenning. Een groot vlak, aan de ene kant satijnglans zwart-reflecterend, aan de andere kant naakt hout in zijn constructieve opbouw, plaatst zich in de publieke ruimte als een oneigen element. Het ding ziet er op het eerste gezicht eenvoudig uit, maar is dat bij nader inzien helemaal niet. Het echoot en verbergt omgeving en passanten. De toeschouwer doet iets met het ding – onwillekeurig - en in het beste geval doet het ding ook iets met de toeschouwer.
Niet de natuur maar juist de gebouwde omgeving, in haar alledaagse verschijningsvorm, vormt vaak een rechtstreekse aanleiding voor mijn werk. Zo vormde de bebouwing op een hoekperceel in de buurt waar mijn moeder woont het uitgangspunt voor ‘Four Belgian Worker Class Façade’. De manier waarop een wigvormig terrein op de tussen twee Barcelonese straatjes was dichtgebouwd inspireerde me tot ‘Prototype I’, een opstelling die een aantal schilderijen samenbrengt. De oorspronkelijke situatie is niet meer als zodanig herkenbaar, de sterke ruimtelijke ervaring die eraan gerelateerd is werkt door in de verhoudingen, de doorzichten, de materialen en de kleuren. Ook de ‘Red Façade’, vier monochrome rode vlakken naast elkaar die op een heel specifieke manier het archetype van een huis vormen, reflecteert en overstijgt de conditionerende ‘gewoonheid’ van onze leefomgeving. Binnen schijnbaar banale kaders houdt zich veel ‘raars’ op. Dat rare of eigenaardige – de stutpaal van een betonnen schutting met daarachter een rij daknokken tegen een glasheldere hemel, de contouren van een herenhuis, als schaduw geprojecteerd op de daken van een serie achterliggende rijwoningen – vormt de ideale voedingsbodem voor mijn werk. In tegenstelling tot de gedigitaliseerde micro-omgeving in onze woon- en werksituatie is de stedelijke macro-omgeving opgebouwd uit elementen die ons de sleutels tot begrip en betrokkenheid aanreiken. Archetypische elementen zijn in staat om ondanks of juist dankzij hun vanzelfsprekendheid en logica onze verwondering op te wekken. Vandaar waarschijnlijk mijn fascinatie voor het zadeldak – en meer recent : de kerktoren – maar ook voor de kracht van materialen.
Daken zijn geometrisch, maar kunnen ongrijpbaar zijn. Materialen zijn logisch, maar kunnen gevaarlijk zijn. Vandaar ook mijn genegenheid voor de Arte Povera en Pino Pascali. Ik wil tonen hoe iets gemaakt is en ik wil dat het contact met de toeschouwer gelegd wordt via de tactiliteit en de materialiteit van het werk. Anselm Kiefer : zijn monumentale doeken met hun loodzware plakken donkere verf. Daarnaast : de deur waardoor je binnenkwam en nu weer naar buiten moet. Beangstigend. Ik maak mijn werk zelf. Freewheelend, via een minutieus chronologisch stappenplan of via een uitgebreid experimenteel onderzoek. ‘Platform I’, een model dat lijkt voort te vloeien uit een complexe studie, kwam op een intuïtieve manier tot stand. Het doet denken aan de materiële neerslag voor één of andere stedenbouwkundige analyse. Monochroom grijs, omdat kleuren de indruk van een schaalmodel voor de werkelijkheid teveel zouden versterken. De twijfel is van belang. Mijn schilderijen en collages ontstaan in een proces van weloverwogen opeenvolgende toevoegingen. Beslissingen lokken nieuwe beslissingen uit – zonder vooropgesteld eindresultaat. De constructies ontstaan vanuit het experiment. Aan de hand van wisselende variabelen en constanten worden de mogelijkheden afgetast. Naast het feit dat geen enkel werk autonoom werkt, wordt het maakproces bij dat uitgangspunt bepaald door een veel complexere waaier aan ruimtelijke en interpretatieve mogelijkheden. Maar ook hier blijft de ruimtelijkheid en de (im)materialiteit van het vlak de leidraad.”
Tekst: Caroline Goossens voor Belgisch architectuurtijdschrift A+, editie 204, verschenen februari/ maart 2007.
Fabian Luyten maakt schilderijen, tekeningen en computerprints, modellen en paviljoenen. Zijn kunst beweegt zich steevast op de snijlijnen van schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur, maar bevat ook linken met wetenschappelijke domeinen zoals de geometrie en de linguïstiek. Bovendien schrikt hij er niet voor terug contact te zoeken met bouwondernemingen, architectenbureaus of meubelbedrijven, niet alleen met het oog op kunstinterventies, maar ook om zelf functionele objecten te ontwerpen. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de essentiële kenmerken van zijn kunst.
Façade bestaat uit vier, monochroom rode, dunne panelen, die volgens een vaste configuratie samen aan de wand hangen. Twee panelen hebben min of meer de vorm van een trapezium, al zijn de onderste randen lichtjes gebogen. Een tweede paneel is een driehoek, een vierde een parallellogram. Samengevoegd vormen ze een figuur die, hoe elementair ook, vrij duidelijk en ogenblikkelijk het beeld van een huis oproept. Daardoor krijgt de figuur meteen ook diepte en perspectief, en ontstaat er een figuratief ‘schilderij’, met de wand als achtergrond. Met de harde monochrome vlakken, de strenge lijnen en de uitgekiende compositie beoogt deze figuur de visuele slagvaardigheid van een signaal of een icoon, zoals die bijvoorbeeld toegepast wordt in verkeersborden. Maar terwijl zo’n signaal eenduidig wil zijn, roept dit ‘huis’ tal van vragen op. Luyten creëert in dit werk een duidelijk voelbare spanning tussen vlak en diepte, tussen de concrete tentoonstellingsruimte en de virtuele ruimte die door de elementaire configuratie van de vier vlakke panelen gecreëerd wordt, tussen het uitgepuurde, abstracte, ogenschijnlijk autonome beeld en de verwijzingen, betekenissen, zelfs emoties die de toeschouwer daar ‘automatisch’ aan vastknoopt. De kunstenaar bespeelt die automatismen op een intelligente wijze, maar precies door de uiterst elementaire manier waarop hij het doet, maakt hij de toeschouwer er ook bewust van. Voor die toeschouwer het goed en wel beseft, maakt hij/zij onlosmakelijk deel uit van een ingenieus taal- en beeldspel, waarvan hij/zij zowel actieve participant als lijdend voorwerp is.
De ruimtes die Fabian Luyten construeert, zijn steevast en fundamenteel ‘multiperspectivisch’. Aan de waarneming van Façade als een perspectivisch weergegeven huis komen bijvoorbeeld minimaal twee gezichtspunten te pas. De kunstenaar heeft vooreerst zijn waarneming van een reëel of imaginair huis in een welbepaalde, uiterst minimale beeldtaal omgezet. Vervolgens voegt ook de toeschouwer, wanneer die dit beeld tracht te lezen en daartoe het gezichtspunt van de kunstenaar tracht te ontdekken, onvermijdelijk zijn eigen invalshoek en perspectief aan het beeld toe – daarbij in grote mate gestuurd door de wijze waarop het werk in de tentoonstellingsruimte gepresenteerd wordt. In de schilderijenreeksen, zoals Roof-Rhythm and Figure-series I, worden vier tot vijf doeken boven elkaar gehangen. In beide gevallen zijn de voorstellingen uiterst elementair. In de eerste reeks worden een aantal daken louter door middel van enkele spaarzame zwarte lijnen voorgesteld. In de tweede reeks is er op elk doek een ogenschijnlijk zwart geschilderde, geometrische figuur te zien. De rest van het doek is telkens egaal wit. Opnieuw ontstaat er een wisselwerking tussen de individuele perspectieven van elk elementair beeld op zich, en de perspectieven, invalshoeken, lezingen die de toeschouwer daar, afhankelijk van zijn positie ten opzichte van het betreffende schilderij, aan toevoegt. Bovendien beïnvloeden de beelden in hun onderlinge sequenties elkaar. Opnieuw blijken beelden die er op het eerste zicht vrij eenduidig uitzien, aan wisselende gezichtspunten en lezingen onderhevig te zijn – of, om hetzelfde anders te formuleren (vanuit een andere invalshoek te bekijken): als een soort ‘open’ modellen maken ze vele lezingen mogelijk. De geometrische figuren bijvoorbeeld zijn niet zwart, maar zijn opgebouwd uit diverse kleurlagen. In contrast met hun scherpe, meetkundige vorm, zijn ze eigenlijk op een vrij intuïtieve, speelse manier tot stand gekomen. Dat schemert door in de wijze waarop de figuren lijken te vibreren, te dansen in het witte vlak van het doek. Daarbij komen ze zowel los van hun maker als van de toeschouwer. In Mountains zijn de daken uit een van de Roof-Rhytm-schilderijen op een groter doek geplaatst en met een donkergroene kleur tot een doorlopend vlak aan elkaar geschilderd. Wonderlijk genoeg volstaat dit om een wijds, panoramisch landschap te creëren. In zijn elementaire vorm roept dit schilderij de vraag naar het ontstaan, de werking en de aard van élk ‘landschap’ op.
Schaalmodellen verwijzen doorgaans naar een andere realiteit, in veel gevallen omdat die realiteit niet meer bestaat (als herinnering aan een waardevol, verdwenen gebouw bijvoorbeeld) of omdat ze nog geen realiteit is (als een instrument in het ontwerpproces). De Models van Fabian Luyten lijken daarentegen geen herinnering aan of belofte van bewoning in te houden. Zo is er nergens een vloer te bespeuren. Dit blijken letterlijke oefeningen in schaal te zijn: studies van de verhoudingen tussen object, ruimte en toeschouwer. We kunnen anderzijds niet beweren dat deze esthetische vormen puur zelfverwijzend – autonoom – zijn (zoals in de minimalistische objecten van Donald Judd, Carl André en co betracht werd), vermits de dakvormen toch naar het idee of het mentale beeld ‘huis’ verwijzen. In die zin functioneren ze, net als Façade trouwens, zoals het woord ‘huis’. (Het woord ‘huis’ wordt hier, zoals in een rebus of in zogenaamde ideografische talen, gerepresenteerd door een uniek teken, onafhankelijk van de klanken waaruit het samengesteld is.) De Models bestaan telkens uit houten ‘façades’ die door middel van blokjes in een hoek van 90° aan elkaar bevestigd zijn. Ze bewegen zich tussen het schilderij als plat oppervlak en de constructie als een driedimensionaal object. Structuur, opbouw en proces blijven zichtbaar, waardoor fricties en conflicten tussen beeld en constructie leesbaar zijn. Anderzijds kunnen we zo het plezier van het maken herbeleven, evenals de evolutie naar het punt waarop vorm en constructie elkaar ontmoeten. Dit is sterk uitgepuurde en tegelijk volkomen pretentieloze poëzie.
In de Paviljoenen komen zowat alle elementen samen die in de diverse kleinere werken aan bod komen, zoals: het doordachte spel met concrete beeldende elementen als lijn, vlak, vorm, materiaal en kleur, de spanning tussen concrete en virtuele ruimte, tussen twee en drie dimensies, de wisselwerkingen en fricties tussen vorm en constructie, de schaalverhoudingen tussen object, omgeving en toeschouwer/passant. Bij deze ruimtelijke constructies, bedoeld voor de openbare ruimte, komen daar een aantal dimensies bij, of ze worden minstens sterker aangevoeld. Zo weegt, naast de mentale beleving, de fysieke ervaring van de constructie beduidend zwaarder door. Dankzij de ruimtelijke inplanting gaan noties als binnen en buiten of voor en achter een rol spelen, en het hoeft niet te verwonderen dat Luyten daar heel bewust mee omgaat. Tenslotte gaat, naast het formele en het constructieve, nu ook het functionele aspect de werking, en bijgevolg de ervaring en lezing van het kunstwerk mee bepalen. De complexiteit van deze constructies wordt verder opgevoerd doordat ze te groot zijn om als een model bekeken te worden, en te klein om een ‘huis’ te zijn. Openingen, doorkijken en onduidelijke begrenzingen maken een scherp onderscheid tussen binnen en buiten onmogelijk. In elk paviljoen is er minstens één monochroom, hoogglanzend, zwart paneel geïntegreerd. Daarmee blijven ook deze ruimtelijke constructies een manifeste link met de schilderkunst en haar moderne geschiedenis behouden. Tegelijk voeren deze reflecterende oppervlakken de spanning tussen concrete en virtuele ruimte, en die tussen vlak, holte en volume nog op. Bovendien is de spiegel de locatie waar kijken en bekeken worden elkaar ontmoeten, waar de afstand tussen het ik en zijn beeld geïnstalleerd wordt. Het kind herkent zichzelf pas in de spiegel op het moment dat het talig wordt, en zich op die manier als een sociaal wezen in de wereld gaat bewegen. Als een multiperspectivisch wezen dat nooit meer tot één dimensie, realiteit of waarheid gereduceerd kan worden.
Tekst: Frank Maes